Oefenvragen Cariologie en restauratieve tandheelkunde
Restauratieve tandheelkunde vormt een centraal onderdeel van de algemene tandheelkundige praktijk en neemt een belangrijke plaats in binnen de examenprogramma's van de meeste tandheelkundige toelatings- en registratie-examens. Deze vragen behandelen eerst het cariësproces en de classificatie van laesies en gaan vervolgens over de daadwerkelijke klinische behandeling: principes van caviteitspreparatie, isolatie en matrixsystemen, adhesieve hechting, directe restauratiematerialen, esthetische behandelingen en minimaal invasieve benaderingen. Ook niet-carieus verlies van harde tandweefsels en de oorzaken van het falen van restauraties komen aan bod. Bij de AFK, INBDE, ORE en ADC kunt u klinische casussen verwachten waarin wordt gevraagd naar het meest geschikte materiaal, het juiste preparatiekenmerk of de meest waarschijnlijke oorzaak van een postoperatief probleem, in plaats van uitsluitend naar eenvoudige definities.
10 vragen · antwoorden en uitleg verschijnen na elke beantwoorde vraag · geen registratie nodig
De vragen zijn vertaald uit het Engels. De officiële examens worden in het Engels afgenomen.
Oefenvragen
Vraag 1 van 10
Cariësproces
Een natriumfluoridelak van 5% bevat ongeveer
Het juiste antwoord is C.
Het juiste antwoord is C. Een natriumfluoridelak van 5% bevat ongeveer 22.600 ppm fluoride. Deze hoge concentratie maakt een effectieve behandeling van het glazuur mogelijk met slechts twee tot vier applicaties per jaar.
Vraag 2 van 10
Minimaal invasieve en preventief-restauratieve behandelmethoden
De atraumatische restauratieve behandeling (ART) wordt gekenmerkt door
Het juiste antwoord is B.
Het juiste antwoord is B. Bij de atraumatische restauratieve behandeling (ART) wordt verweekt dentine uitsluitend met handinstrumenten verwijderd, waarna de caviteit wordt gevuld met een hoogviskeus glasionomeercement. Voor deze behandeling zijn geen elektriciteit of elektrisch aangedreven apparatuur nodig en vaak is ook geen anesthesie vereist. Hierdoor is ART bijzonder waardevol bij behandelingen in omstandigheden met beperkte voorzieningen en bij patiënten met een beperkte behandelcoöperatie.
Vraag 3 van 10
Classificatie van caviteiten en laesies
Een carieuze laesie die beperkt blijft tot de occlusale twee derde van het buccale oppervlak van een molaar en zich niet uitstrekt tot het gingivale derde, wordt geclassificeerd als
Het juiste antwoord is C.
Het juiste antwoord is C. Een carieuze laesie die beperkt blijft tot het putjes- en fissurensysteem in de occlusale twee derde van het buccale oppervlak van een molaar, zonder uitbreiding naar het gingivale derde, wordt volgens de classificatie van Black ingedeeld als klasse I.
Vraag 4 van 10
Falen van restauraties en complicaties
Hoe kan polymerisatiekrimp van composiet bijdragen aan postoperatieve gevoeligheid?
Het juiste antwoord is D.
Het juiste antwoord is D. Tijdens de polymerisatie krimpt composiet. De spanningen die hierdoor ontstaan op een door adhesieve hechting gefixeerd grensvlak kunnen de aansluiting tussen het restauratiemateriaal en de tandstructuur verstoren. Een spleet op dit grensvlak kan beweging van dentinevloeistof mogelijk maken onder invloed van thermische of occlusale prikkels, waardoor mechanoreceptoren in de pulpa worden geactiveerd. Een doordachte opbouw in composietlagen, correct materiaalgebruik, een betrouwbare adhesieve hechting, gecontroleerde uitharding en occlusale correctie verminderen de relevante oorzaken van postoperatieve gevoeligheid.
Vraag 5 van 10
Esthetische restauratieve behandelingen
Waarom kan het sluiten van een diasteem met direct composiet vaak volgens een additieve techniek worden uitgevoerd?
Het juiste antwoord is D.
Het juiste antwoord is D. Wanneer de tandvorm en de verdeling van de beschikbare ruimte dit toelaten, kan composiet aan de proximale oppervlakken worden toegevoegd om een diasteem te sluiten, met minimale preparatie of zelfs zonder preparatie van het tandweefsel. Voor een voorspelbaar behandelresultaat is echter een analyse nodig van de tandproporties, de locatie van de contactpunten, het emergentieprofiel, de occlusie, eventuele factoren die verband houden met het lipfrenulum of het parodontium, en de totale ruimte die over de gebitselementen in de glimlach moet worden verdeeld.
Vraag 6 van 10
Niet-carieus verlies van harde tandweefsels
Wat is attritie van harde tandweefsels?
Het juiste antwoord is D.
Het juiste antwoord is D. Attritie is mechanisch verlies van hard tandweefsel dat ontstaat door contact tussen antagonistische of aangrenzende gebitselementen, zoals tijdens het kauwen of bij bruxisme. Op antagonistische gebitselementen zijn vaak corresponderende slijtagefacetten zichtbaar. Attritie kan gelijktijdig voorkomen met erosie, waarbij het tandweefsel zachter wordt en slijtage door tandcontact sneller optreedt. Daarom mag de diagnose niet uitsluitend worden gebaseerd op de aanwezigheid van een slijtagefacet.
Vraag 7 van 10
Directe restauratiematerialen: klinische toepassing
Wat is het belangrijkste doel van het tritureren van geëncapsuleerd amalgaam?
Het juiste antwoord is B.
Het juiste antwoord is B. Bij trituratie worden de legeringsdeeltjes mechanisch met kwik gemengd, zodat hun oppervlakken door het kwik worden bevochtigd en de uithardingsreactie begint. Hierdoor ontstaat een samenhangende, verwerkbare massa. Zowel onvoldoende als overmatige trituratie beïnvloedt de verwerkingseigenschappen en materiaaleigenschappen van het amalgaam. De door de fabrikant voorgeschreven mengtijd en instellingen van de amalgaamator moeten worden gevolgd, in plaats van de kwaliteit van de menging uitsluitend te beoordelen op basis van één algemeen uiterlijk criterium.
Vraag 8 van 10
Isolatie en matrixsystemen
Welke grootte moet het met een cofferdamponstang gemaakte gat in de cofferdam hebben voor een centrale bovenincisief?
Het juiste antwoord is C.
Het juiste antwoord is C. Voor centrale incisieven en cuspidaten in de bovenkaak wordt doorgaans een ponsgat van grootte 3 (middelgroot) aanbevolen. Hiermee kan de cofferdam goed rondom het gebitselement afsluiten zonder dat het rubber scheurt.
Vraag 9 van 10
Principes van caviteitspreparatie (directe restauraties)
Welke van de volgende omschrijvingen geeft de BESTE definitie van de 'outline form' (uitwendige preparatievorm) bij caviteitspreparatie?
Het juiste antwoord is C.
Het juiste antwoord is C. De 'outline form' verwijst naar de vorm en uitbreiding van de caviteitspreparatie ter hoogte van de overgang tussen caviteit en tandoppervlak (de cavosurface-rand). Hierbij wordt ervoor gezorgd dat alle preparatieranden zich bevinden op plaatsen die toegankelijk zijn voor mondhygiënisch onderhoud en dat de preparatie zich uitstrekt tot gezond tandweefsel.
Vraag 10 van 10
Adhesieve tandheelkunde
Waardoor ontstaat de kleverige, door zuurstof geremde laag op het oppervlak van een lichtuithardende kunsthars?
Het juiste antwoord is D.
Het juiste antwoord is D. Zuurstof reageert met vrije radicalen op het grensvlak tussen kunsthars en lucht en remt daardoor de volledige polymerisatie aan het oppervlak. Hierdoor blijft een dunne, kunstharsrijke en kleverige laag achter, de zuurstofinhibitielaag. Deze laag kan de copolymerisatie met een daaropvolgende composietlaag bevorderen. Het uiteindelijke blootliggende oppervlak van de restauratie moet worden afgewerkt of tijdens de uitharding worden afgedekt om een onvoldoende gepolymeriseerde buitenste laag te beperken.
Kies een antwoord om de uitleg te bekijken.
Meer vakgebieden
DentistUP is een onafhankelijk educatief platform. Socket Science is niet verbonden aan NDEB, INBDE, JCNDE, ADA, GDC, ORE, ADC of enige andere exameninstantie en wordt door geen van deze instanties onderschreven, gesponsord of goedgekeurd. DentistUP bevat geen officiële examenvragen of vragen die uit eerdere examens zijn gereconstrueerd en biedt geen garantie op examenresultaten. De inhoud is uitsluitend bedoeld voor educatieve doeleinden en vormt geen patiëntspecifiek klinisch advies.